Over het Adviescollege Levenslanggestraften
Waarom een advies?
Uit de rechtspraak[1] van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM[2] (kort gezegd: het verbod op onmenselijke bestraffing), zolang de straf niet ‘irreducible’ is en de levenslanggestrafte een ‘prospect of release’ houdt. Een levenslanggestrafte mag niet iedere hoop ontnomen worden om ooit in vrijheid te worden gesteld en heeft in het verlengde daarvan recht op de mogelijkheid van een periodieke herbeoordeling van zijn straf.
Naar aanleiding van uitspraken van het EHRM en de Hoge Raad paste de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het beleid voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf aan. Op 25 november 2016 stelde hij het Adviescollege Levenslanggestraften in, dat sinds 1 juni 2017 werkzaam is. Belangrijke beleidsaanpassingen waren de invoering van de beoordeling of de levenslanggestrafte na 25 jaar detentie kan starten met re-integratieactiviteiten en het in het leven roepen van een herbeoordeling van de opgelegde straf in de vorm van een ambtshalve gratieprocedure.
In het kader van de herbeoordeling (in de vorm van een ambtshalve gratieprocedure) moet worden getoetst of zich zodanige veranderingen hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in de resocialisatie van de levenslanggestrafte, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Een garantie of recht op vrijlating bestaat daarbij niet.
Geruime tijd voor het moment van herbeoordeling (na 22 jaar detentie) begint bij het Adviescollege een adviestraject. Het Adviescollege adviseert daarin de staatssecretaris of een levenslanggestrafte na 25 jaar detentie kan starten met activiteiten die zijn gericht op een mogelijke terugkeer in de samenleving, de zogenaamde re-integratieactiviteiten. Na het uitbrengen van dit (eerste) advies aan de staatssecretaris brengt het Adviescollege vervolgadviezen uit, waarin wordt ingegaan op de ontwikkelingen die bij de levenslanggestrafte sinds het vorige advies hebben plaatsgevonden. Het moment hiervoor wordt per casus bepaald.
Ook in zaken waarin de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde levenslange straf is overgedragen aan Nederland brengt het Adviescollege een advies en vervolgadviezen uit. Het moment van en de werkwijze rond de aanvang van het adviestraject hangt hierbij af van wat daarover is opgenomen in het besluit van de minister ten aanzien van de strafoverdracht.
Wanneer er 28 jaar zijn verstreken na de aanvang van de detentie van de levenslanggestrafte wordt vanuit de Staat een ambtshalve gratieprocedure opgestart. Tijdens deze procedure wordt de mogelijkheid tot gratieverlening beoordeeld. Het Adviescollege heeft hierin een informerende rol. Deze ambtshalve gratieprocedure kán tot (voorwaardelijke) invrijheidstelling leiden. Het recht op een herbeoordeling door middel van deze procedure betekent echter niet dat een levenslanggestrafte automatisch moét vrijkomen (zie hierboven).
Het oordeel van de Hoge Raad over de herbeoordelingsprocedure
Bij de oplegging van de levenslange gevangenisstraf gaat het erom of ‘het stelsel van herbeoordeling als geheel’ de waarborgen biedt dat de tenuitvoerlegging niet in strijd komt met artikel 3 (het verbod op onmenselijke bestraffing) van het EVRM. Tot nu toe oordeelt de Hoge Raad dat die waarborgen er zijn. De Hoge Raad oordeelde op 19 december 2017 dat in Nederland een dergelijk stelsel van herbeoordeling bestaat, waarbij kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf. Daarmee voldoen de nieuwe regelingen aan het EVRM. De Hoge Raad verwijst hierbij onder andere naar het Besluit Adviescollege Levenslanggestraften, de Regeling selectie plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Ook het feit dat de (civiele of de penitentiaire) rechter beslissingen over het aanbieden van re-integratieactiviteiten en gratieverlening van de (toen nog) minister kan toetsen droeg eraan bij dat de Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse procedure aan de eisen van het EVRM voldoet.
Overwogen werd echter ook dat als op enig moment zou blijken dat een herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf in de praktijk nooit leidt tot verkorting van de straf of tot (voorwaardelijke) invrijheidsstelling, de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf mogelijk wel (weer) een schending op zou kunnen leveren van artikel 3 EVRM. Deze lijn is bekrachtigd in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2025.
[1] EHRM 14 december 2000, nr. 44190/98 (Nivette/Frankrijk), p. 6-7;
EHRM 16 oktober 2001, nr. 71555/01 (Einhorn/Frankrijk), §27;
EHRM 11 april 2006, nr. 19324/02 (Léger/Frankrijk), §92;
EHRM 12 februari 2008, nr. 21906/04 (Kafkaris/Cyprus), §97 en 103-105;
EHRM 9 juli 2013, nr. 66069/09, 130/10, 3896/10 (Vinter e.a./Verenigd Koninkrijk), §122.
[2] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden